Biografie

Portretfoto van George Minne, datum onbekend, Negatievenarchief uitgeverij Manteau

Het gezin: 1866-1883

George Minne wordt geboren in Gent op 30 augustus 1866 als zoon van Frédéric Auguste Minne en Emma Coralia Delphine Vankakerken. Hij is het tweede van vier kinderen. Het gezin woont in de Lange Violettestraat, dicht bij het Klein Begijnhof. Zijn vader is architect en ook Georges één jaar oudere broer Jules zal later architect worden. De oudste van zijn twee jongere zussen, Emma, overlijdt in 1886 op zeventienjarige leeftijd.
Gegevens over Minnes kinderjaren zijn bijzonder schaars. Aan zijn schooltijd heeft Minne vooral nare herinneringen. De strenge discipline zorgt ervoor dat de jongen zich al vroeg in zichzelf terugtrekt en dat versterkt zijn introverte aard. Hij tekent veel en vanaf 1879 verlaat hij de basisschool en gaat naar de Academie voor Schone Kunsten van Gent, waar hij lessen van algemene aard volgt.

Opleiding en debuut: 1883-1886

George Van de Walle, Portret van George Minne, 1885, olieverf op doek, huidige bewaarplaats onbekend
George Van de Walle, Portret van George Minne, 1885, olieverf op doek, huidige bewaarplaats onbekend

In 1883 schrijft George Minne zich in voor de lessen schilderkunst aan de Academie voor Schone Kunsten van Gent. De ouders van Minne hebben niet veel op met de artistieke keuze van hun zoon. Zij verkiezen een opleiding tot architect, een beroep dat meer aanzien en financiële zekerheid biedt. Aanvankelijk volgt George Minne op aandringen van zijn vader wel enige tijd architectuurlessen, maar snel wordt duidelijk dat zijn roeping elders ligt.
Minne legt zich aanvankelijk toe op monumentale kunst. De werken die hij realiseert, een zeven meter breed schilderij met de val van de opstandige engelen uit 1884 en een monumentaal beeldhouwwerk La souffrance humaine uit 1885, zijn verdwenen. Het gaat naar verluidt om groots opgezette projecten naar de mode van het einde van de negentiende eeuw. Tijdens zijn studententijd ontmoet hij Valerius De Saedeleer (1867-1941), het begin van een blijvende en hechte vriendschap tussen beide kunstenaars.

1886-1889: Ontwikkeling van een eigen stijl en literaire contacten

Het jaar 1886 betekent een totale ommekeer in het oeuvre van Minne. Hij verlaat de Academie en betrekt een atelier in het Patershol in het oude centrum van Gent. Hier ontstaan enkele beelden op bescheiden formaat waarin de kunstenaar een expressieve taal ontwikkelt die ver afstaat van de toenmalige academische traditie : Vechtende mannen, Omhelzend paar en het meesterwerk Moeder beweent haar dood kind. Het zijn beelden van een eenvoud en directe zeggingskracht, waarin hij enkele motieven vastlegt die hij in de daarop volgende jaren verder exploreert. In 1888 ontstaat het aangrijpende beeld Treurende moeder met twee kinderen en de gelijknamige tekening in inkt (privécollectie).

George Minne, Moeder beweent haar dood kind, MSK Gent

De ommekeer in het werk van de twintigjarige kunstenaar naar een meer verinnerlijkte kunst en een directe uitdrukkingskracht heeft ongetwijfeld te maken met zijn vriendschap met de symbolistische Fransschrijvende Gentse dichters Charles Van Lerberghe (1861-1907), Grégoire Le Roy (1862-1941) en Maurice Maeterlinck (1862-1949). Vooral tussen Minne en Maeterlinck bestaat een grote zielsverwantschap en een wederzijdse beïnvloeding, zodanig dat een kunstcriticus in die tijd zelfs van een ‘symmetrisch talent' sprak. Beide kunstenaars dwepen met de mystiek van de vroege middeleeuwen. In die tijd is Maeterlinck bezig met een vertaling van de geschriften van Jan van Ruusbroec (1293/94-1381) naar het Frans en hij leest daaruit voor aan zijn vrienden. Wat hen aantrekt in het werk van Ruusbroec is diens spirituele levenshouding die tegelijk openstaat voor de zintuiglijke rijkdom van de schepping.

Portretfoto George MinnePortretfoto Maurice Maeterlinck

Minne neemt voor het eerst deel aan een tentoonstelling op het Driejaarlijkse Salon van Gent in 1889 met twee beelden, waaronder De kleine gekwetste, het eerste voorbeeld in Minnes oeuvre van een alleenstaande naakte jongeling met gespreide benen. Van dit beeld maakt hij in 1898 een tweede versie. Uit hetzelfde jaar 1889 dateert de beeldengroep Geknielde man en vrouw, de eerste in een reeks van geknielde figuren.
Na een bezoek aan de tentoonstelling schrijft Emile Verhaeren (1855-1916) in het toonaangevende kunsttijdschrift L'Art Moderne: "En dan zijn er de beeldhouwwerken van de heer Minne, een debutant. Het schijnt dat men ze eerst niet wilde tentoonstellen: tussen al die banaliteiten geheiligd door de zegenende handen van de officiële jury, vallen ze uiteraard uit de toon. Er spreekt jeugdigheid, oprechtheid, levenskracht uit. Hoewel ze piepklein zijn en weggestopt op de verdieping, trekken ze daarboven toch de aandacht... . Hij verkent de plastiek van eenvoudige, naïeve en primitieve bewegingen, wars van elke conventie en elke verworvenheid, hij schuwt elke hoogdravendheid en bombast, die als de retoriek van de beeldhouwkunst zijn en hij spitst zich toe op een bijzondere wereld vol melancholie en religie, als een middeleeuwse steenkapper in wiens voetsporen hij treedt... . Als men zich die Salon van Gent ooit zal herinneren, dan zal dat dankzij hem zijn."

Het jaar daarop, in 1890, toont Minne in Brussel bij Les XX onder meer Moeder beweent haar dood kind (1886) en Treurende moeder met twee kinderen (1888) (Brussel, KMSKB). De tengere, haast primitief aandoende beelden in gips roepen bij de conservatieve pers hevige kritiek op. Steun vindt Minne echter bij vooruitstrevende kunstcritici als Eugène Demolder en Grégoire Le Roy. Zij onderkennen de originaliteit en de vernieuwende kracht van Minne's beelden.

In de dramatische expressie van de eerste beelden is een zekere invloed van Auguste Rodin (1840-1917) nog merkbaar. Minne bewondert de krachtige vormentaal van de Franse meester en zou hem in Parijs bezocht hebben in de hoop in zijn atelier te worden toegelaten. Naar verluidt zou hij Rodin foto's van zijn werk hebben laten zien en die zou, onder de indruk van de monumentaliteit van Minnes kleine beelden, hebben gezegd dat hij de jonge kunstenaar niets meer kon bijleren.

Théo Van Rysselberghe, De lezing door Emile Verhaeren, 1903, Museum voor Schone Kunsten Gent

1890-1894/1895: Boekillustraties

In 1890 neemt Minne deel aan de zevende expositie van de Brusselse avant-garde kunstkring Les XX, onder meer met Moeder beweent haar dood kind, Geknielde man en vrouw en Treurende moeder met twee kinderen. Het jaar daarop toont hij eveneens bij Les XX drie tekeningen, waaronder Treurende moeder uit 1890 uit de collectie van Grégoire Le Roy. In 1892 wordt hij lid van Les XX en tot 1893 neemt hij elk jaar deel aan de exposities van de groep. Meer en meer zoekt hij contact met het Brusselse kunstmilieu; daar ontmoet hij geregeld Octave Maus (1856-1919), de drijvende kracht achter Les XX, Edmond Picard (1836-1924), eveneens een invloedrijke figuur in de Brusselse kunstwereld en de symbolistische dichter Emile Verhaeren.

Théo van Rysselberghe, Portret van Octave Maus, KMSKB, (inv. 6383) © Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel [Photo d'art Speltdoorn & Fils] Portretfoto Edmond Picard

Tussen 1890 en 1893 zijn van Minne geen sculpturen bekend. In die periode legt hij zich toe op grafisch werk; met houtsneden op klein formaat illustreert hij dichtbundels en theaterwerk van zijn vrienden: Mon coeur pleure d'autrefois (1889) van Grégoire Le Roy en Serres Chaudes (1889) van Maeterlinck en Maeterlincks toneelstukken La Princesse Maleine (1889) en Trois petits drames (1894). In 1895 verlucht hij een uitgave van de dichtbundel Les Villages illusoires van Emile Verhaeren. Daarnaast ontstaan ook zelfstandige tekeningen in potlood zoals Treurende moeder uit 1890 en Moeder met kind in de armen uit circa 1895.

In 1892 huwt George Minne met Joséphine Destanberg (1869-?), dochter van de vrijzinnige Gentse dichter Napoléon Destanberg en Lucie-Colette Vereecke. De relatie met zijn vader, die het werk van zijn zoon bekritiseert, is intussen ernstig verslechterd.
Wars van drukte en uiterlijk vertoon, ontvlucht Minne in 1893 de stad en vestigt zich met zijn vrouw in Zevergem, een dorpje in de buurt van Gent, waar hun eerste zoon George geboren wordt. Minne tracht er als boer in zijn levensonderhoud te voorzien. Het boerenleven is echter niets voor hem en in 1894 verhuist hij met vrouw en kind terug naar Gent (Oude Kerkweg, 6). Het gezin leeft in armoede. Om in zijn onderhoud te voorzien is de kunstenaar genoodzaakt religieuze beelden in gips te vervaardigen en frontons voor kermiscarrousels te modelleren. Dat jaar wordt Paul, Minnes tweede zoon, geboren. Na een periode van meer dan drie jaar begint Minne opnieuw te beeldhouwen met religieus geïnspireerde werken: De biddende non en Johannes de Doper.

George Minne en Joséphine Destanberg, 1910, foto Edmond Sacré

1895-1899: Brussel : een nieuw elan

    George Minne, De fontein der geknielden, MSK GentOp 21 september 1895 verhuist Minne naar Brussel en op 25 december bevalt Minnes vrouw van de tweeling Marie en Agnes. Minne schrijft zich in aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, die hem een model ter beschikking stelt. In 1896 ontvangt de kunstenaar een staatstoelage. Ondanks zijn precaire financiële situatie - hij moet bovendien verscheidene keren verhuizen en vestigt zich uiteindelijk in een kleine villa in Vorst - en een aanval van tyfus, die hem bijna het leven kost, zijn de Brusselse jaren een buitengewoon creatieve periode voor Minne. De verloren zoon (1896), Man beweent zijn dode hinde (1896), De man met de waterzak (1897), De kleine gekwetste II (1898), en opeenvolgende versies van geknielde jongelingen, met als orgelpunt zijn absoluut meesterwerk De fontein der geknielden (1898), ontstaan alle in deze periode.

In Brussel leert hij Henry Van de Velde (1863-1957) kennen die hij geregeld in zijn Villa Bloemenwerf in Ukkel gaat opzoeken. Daar ontmoet hij de beeldhouwer Constantin Meunier (1831-1905) en de kunstcriticus en art nouveaukenner Julius Meier-Graefe (1867-1935), die een belangrijke rol zal spelen in Minnes bekendheid in het buitenland.

Voor de Partie Ouvrier Belge ontwerpt Minne in 1898 een monument voor de in 1896 overleden socialistische voorman Jean Volders. Dit is Minnes eerste project voor een publieke ruimte; zijn ontwerp wordt echter niet aanvaard.

Op 6 september 1898 wordt Minnes vijfde kind Marc geboren. Dat jaar verschijnt in het tijdschrift Pan een belangrijk artikel van Meier-Illustratie uit Julius Meier-Graefe Das plastische Ornament in Pan, 1899Graefe over Minne onder de titel Das Plastische Ornament. In 1899 opent Meier-Graefe in Parijs de art nouveaugalerij La Maison Moderne. Hij exposeert er werk van Minne naast Rodin en Meunier en geeft een editie uit van de De kleine Gekwetste II uit 1898, een versie die met haar sierlijkheid meer aanleunt bij de art nouveau-esthetiek dan de eerste versie uit 1889. In tegenstelling tot Meunier krijgt Minne in Frankrijk weinig appreciatie.

In eigen land neemt de publieke waardering voor zijn werk echter toe. Zo geeft de Association des Ecrivains Français hem de opdracht om een gedenkteken voor de Fransschrijvende Gentse dichter Georges Rodenbach (1855-1898) te ontwerpen. Het eerste ontwerp uit 1899 wordt echter niet uitgevoerd, het definitieve project zal pas in 1903 in het Klein Begijnhof in Gent worden ingehuldigd. Intussen is Minne, op aandringen van Valerius De Saedeleer, in de zomer van 1899 naar Sint-Martens-Latem verhuisd, en hij zal er, met uitzondering van de oorlogsjaren, tot aan zijn dood in 1941 blijven wonen.

Maria Sèthe en Henry Van de Velde in huis Bloemenwerf met De geknielde van George Minne, Brussel, Archives & Musée de la Littérature (fonds Henry Van de Velde)      George Minne, Bruges-la-Morte, Sint-Elisabeth-begijnhof Gent

1900-1914: Internationale erkenning

Met De fontein der geknielden vestigt Minne, mede dankzij Van de Velde en Meier-Graefe, zijn naam in het buitenland, in het bijzonder in Oostenrijk en Duitsland. Hij stelt de Fontein met vijf identieke jongelingen voor het eerst tentoon in 1899 in Brussel bij La Libre Esthétique. Nadien is het werk in licht gewijzigde vorm te zien op tentoonstellingen in Wenen, Boedapest en Venetië. Op de Wiener Secession van 1900 is Minne een van de hoofdartiesten in de tentoonstelling en naast het gipsmodel van De fontein zijn nog 12 sculpturen van Minne te zien: zowel in gips, marmer, brons en hout, plus 1 houtsnede. Met zijn tengere, in zichzelf gekeerde jongelingsfiguren sluit Minne nauw aan bij de Jugendstil en de art nouveau-esthetiek van het fin de siècle in Wenen. Zijn invloed op kunstenaars zoals Gustav Klimt (1862-1918), Oskar Kokoschka (1886-1980) en Egon Schiele (1890-1918) en later ook op Wilhelm Lehmbruck (1881-1919) is onmiskenbaar.

Oskar Kokoschka, Die Traümenden Knaben, 1906-1908, Museum voor Schone Kunsten Gent Wilhelm Lehmbruck, Zich omkerende meisjeskop, 1913-1914, Museum voor Schone Kunsten Gent

In de appreciatie van Minne bij de Weense avant-garde speelt de joodse industrieel en mecenas Fritz Waerndorfer een belangrijke rol. Naast werken van Klimt, Jan Toorop (1859-1928) en Aubrey Beardsley (1872-1898) bezit hij de voor die tijd grootste privéverzameling van sculpturen van Minne plus een schetsboek van de kunstenaar. Het schetsboek dateert van circa 1883-1888 en bevindt zich nu in de Albertina in Wenen.

Vanaf 1900 tot aan de Eerste Wereldoorlog zal Minne bijna jaarlijks vertegenwoordigd zijn op tentoonstellingen in Duitsland: Berlijn, Munchen, Mannheim, Weimar, Düsseldorf. In toonaangevende, Duitstalige tijdschriften als Pan en Die Kunst verschijnen foto's van zijn werk, waardoor hij in het buitenland grotere bekendheid verwerft. Door toedoen van Henry Van de Velde geeft de Duitse industrieel en mecenas Karl Ernst Osthaus (1874-1921) Minne in 1900 de opdracht om voor het Folkwang Museum in Hagen (thans het gelijknamige Museum in Essen) een marmeren versie van de Fontein der geknielden te vervaardigen. Tussen 1906 en1909 bestelt Osthaus bovendien drie grafmonumenten bij Minne, zowel voor zichzelf als voor zijn familie.

In 1904 wordt Jeanne, het zevende kind, en drie jaar later in 1907 Minnes laatste kind, Frédéric, geboren. De opdrachten en onderscheidingen in het buitenland stellen Minne in staat een eigen huis te bouwen in Sint-Martens-Latem, het zogenaamde witte huis. (Meerstraat 31) Een aanpalende boerderij en schuur richt hij in als atelier voor "practiciens" die zijn beelden in marmer, steen of hout kappen. Ondanks het succes dat hem nu te beurt valt, twijfelt Minne aan zijn kunst. Hij probeert nog, vooral in zijn grafmonumenten, aan te knopen bij de gestileerde vormgeving van de geknielde jongelingen, maar zijn werk heeft niet meer die gespannen lijnvoering die vanuit een innerlijke kracht ontstaat. Als geen ander is hij zich daarvan bewust en slaat resoluut de weg in van een radicaal realisme. Hij tekent en boetseert naar levend model en gaat zelfs lessen anatomie aan de universiteit van Gent volgen. De beelden die tussen 1910 en 1914 ontstaan, worden gegoten in de bronsgieterij die hij zelf opricht in de Holstraat in Gent en waarover zijn oudste zoon George de leiding heeft. In 1913-1914 is Minne leraar in de klas levend model aan de Academie van Gent. Hij krijgt het aanbod om aan de Rijksacademie Beeldende kunsten van Amsterdam beeldhouwen te doceren, maar aanvaardt de opdracht niet uit vrees zich elders niet te kunnen aanpassen.

Internationale Kunstausstellung Mannheim, 1907, twee Geknielden van George Minne Huis van George Minne in Latem

1914-1919: Ballingschap in Wales

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vlucht Minne, net als Gustave Van de Woestyne (1881-1947) en Valerius De Saedeleer, met zijn gezin naar Wales. Gedurende de vier jaar van hun verblijf - eerst korte tijd in Aberystwyth, later in Llanidloes - wordt het gezin onderhouden door de welgestelde, kunstminnende zusters Davies die zich het lot van de Belgische vluchtelingen en in het bijzonder van de Belgische kunstenaars aantrekken. De betrekkelijke rust waarvan het gezin in Wales geniet, wordt echter overstemd door de constante angst om het lot van de drie oudste zonen aan het Belgische front. In die jaren maakt Minne geen enkele sculptuur, voornamelijk door een gebrek aan financiële middelen om geschikt beeldhouwmateriaal aan te kopen. Tekenen is nu zijn voornaamste vorm van expressie en het middel om zijn vaak verlammende angst te overwinnen. Er ontstaan honderden tekeningen, meestal in houtskool op papier, in verschillende formaten. Hierin komen bijna uitsluitend dezelfde thema's obsessioneel terug: Moeder en kind, Piëta, Wachtende vrouw, de Eucharistische Christus, Christus aan het kruis. Een 400-tal tekeningen - wellicht het quasi geheel van Minnes productie in Wales - is in 1949 door het Museum voor Schone Kunsten van Gent aangekocht uit de verzameling Elie Burthoul.

1919-1941: Het interbellum

Na de oorlog geeft Minne een jaar les aan de Academie van Gent. De faam die hij voor de oorlog in eigen land verworven had, is niet verminderd. In 1930 verschijnt de eerste uitvoerige monografie over hem van de hand van Leo Van Puyvelde, aangevuld met een oeuvrecatalogus. Op 25 april 1931 wordt Minne de titel van baron verleend. Verscheidene officiële opdrachten, zoals het Monument voor koningin Astrid in Antwerpen, worden hem toevertrouwd. Minne blijft actief als beeldhouwer en tekenaar. Het thema van het moederschap wordt in vele varianten herhaald, maar ook religieuze voostellingen als de piëta en de Eucharistische Christus, blijven favoriete onderwerpen. Daarnaast herneemt Minne een aantal beelden uit zijn vroegere periode: Moeder beweent haar dood kind, Knielende jongeling, De fontein der geknielden, Baadster. De late versies missen echter de strakke lijn en de expressieve bewogenheid die zo kenmerkend zijn voor het werk van voor 1900. Met zijn late werken sluit Minne aan bij de decoratieve kunst van het interbellum.
George Minne overlijdt op 18 februari 1941 op 74-jarige leeftijd. Op zijn graf in Sint-Martens-Latem prijkt een Moeder met kind van zijn hand. Nog in hetzelfde jaar wordt in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel een retrospectieve tentoonstelling van zijn werk gehouden.

George Minne, zijn vrouw en kleindochter in Latem    George Minne, De baadster, 1931, Deinze, Museum van Deinze en de Leiestreek     George Minne, Bronzen repliek van de Fontein der geknielden, Emile Braunplein Gent

Helke Lauwaert