George Minne als tekenaar

Minnes vroegste tekeningen dateren uit zijn academische periode tussen 1879 en 1886. Het zijn in hoofdzaak studies van het menselijk lichaam, waarschijnlijk opdrachten, soms naar levend model, soms naar beeldhouwwerken uit de klassieke oudheid, de renaissance of de barok. Zijn tekenstijl is nog enigszins onbeholpen, met aarzelende contouren en gearceerde oppervlakken. Zijn talrijke anatomische dierenstudies zijn van latere datum, vermoedelijk gemaakt rond 1891 tijdens een bezoek aan Parijs. De gewassen inkttekening De schoenmaker dateert van 1887 en is de enige bekende zelfstandige tekening van Minne uit die periode. Het onderwerp is eerder ongewoon tussen Minnes overige tekeningen, maar past in de typisch negentiende-eeuwse belangstelling voor ambachtelijke binnenhuistaferelen.

Minnes schetsboeken en afzonderlijke studiebladen laten ons toe de denk- en werkwijze van de beeldhouwer te volgen. Zijn beelden krijgen vooral vorm op papier; geboetseerde studies van zijn hand zijn eerder uitzonderlijk bewaard gebleven. Een enkele sculptuur is zelfs op tientallen, soms zeer vluchtig getekende schetsen gebaseerd.
De schetsbladen, ontstaan circa 1886-1888, tonen de verschillende invalshoeken die de jonge beeldhouwer op nauwelijks twintigjarige leeftijd bezighouden. Een directe verwijzing naar zijn sculpturaal werk uit die tijd vinden we centraal op een van de bladen met de contouren van Moeder beweent haar dood kind. In het schetsboek met figuurstudies, ontstaan rond 1894-1896, kunnen we zien hoe Minne verschillende houdingen onderzoekt om uiteindelijk te komen tot de realisatie van beelden als Johannes de Doper en De Kleine geknielde. Het boek omvat overwegend studies van naakte mannenfiguren en figuurgroepen, waarin Minnes voorkeur voor het extreme uitlengen van figuren voor het eerst tot uiting komt. In de soms zeer vrije schetsen zijn we getuige van het ontstaansproces van zijn beelden, waarbij in het bijzonder Minnes aandacht voor de driedimensionale vorm en een expressieve beweging in een directe, soms agressieve tekenstijl tot uiting komt.

Sommige schetsbladen zijn enkel een eerste aanzet voor al of niet uitgevoerde projecten. In andere bladen focust de kunstenaar op een essentieel element van het beeld, zoals de achterwaarts, licht draaiende beweging in De verloren zoon die hij in elk van de vluchtige tekeningen verder ontwikkelt.
Voor De fontein der geknielden zijn een groot aantal studies bekend die nu eens de geknielden, en dan weer het ondersteunende waterbekken als onderwerp hebben. Die voorbereidende schetsen laten soms verrassende wendingen in Minnes concept zien. Zo tonen studies van een groep van vier jongelingen die stappend rondom het bekken, elkaar de hand reiken. Een ander schetsblad toont dan weer zijn zoeken naar het gewenste profiel van het waterbekken. Zijn leven lang blijft Minne verder denken over het concept van de fontein. Uiteindelijk werkt hij vijf ontwerpen in gips uit.

Tekeningen van beeldhouwers worden doorgaans aan hun sculpturale werk gelieerd. Daarbij wordt de tekening als een fase in het artistieke denkproces gezien. Dit voorafgaande studiewerk blijft veelal verborgen voor de buitenwereld. Het brede publiek krijgt alleen het afgewerkte beeldhouwwerk zelf te zien. Vanaf de negentiende eeuw gaan beeldhouwers de tekening echter steeds meer als een apart, op zichzelf staand medium, beschouwen. Die dualiteit in het artistieke proces, tussen geschetste voorstudies en zelfstandige tekeningen, vinden we niet alleen bij Minne terug. Eigentijdse beeldhouwers zoals Auguste Rodin, Aristide Maillol (1861-1944) en Constantin Meunier besteden evenzeer uitvoerig aandacht aan de zelfstandige tekening.

Een deel van Minnes zelfstandige tekeningen ontstaan tussen 1886 en 1900, zijn meest creatieve jaren als beeldhouwer. Tussen 1914 en 1919 verblijft Minne als balling in Wales. In die jaren ontwerpt hij geen enkel beeld, maar is hij wel bijzonder actief als tekenaar. De reeks van ongeveer 400 uitgewerkte houtskooltekeningen uit die tijd krijgen een plaats in de aparte rubriek over Wales.

In de zelfstandige tekeningen van voor 1900 maakt Minne een duidelijke stijlevolutie door. In de inkttekeningen Treurende moeder met twee kinderen (privécollectie) en Moeder met kind in de armen ligt de nadruk op het puur lineaire. Delicate en spaarzaam aangebrachte arceringen geven de figuren en de rotspartij in Treurende moeder met twee kinderen een zeker volume en ruimtelijkheid. In Moeder met kind in de armen brengt Minne diepte in het werk door het spel van verticale en horizontale arceringen in contrast met de golfjes van het water. Geheel anders is de potloodtekening Treurende moeder uit 1890 waarin een meer picturale opvatting de contouren verzacht. De tekening wordt samen met twee andere aangekocht door Grégoire Le Roy. Treurende moeder behoort nu tot de verzameling van het MSK. In De verworpenen combineert Minne verschillende aspecten van zijn tekenstijl: het uitlengen van de figuren en de verregaande vervorming door accentuering van gewrichten en hoekig uitstekende lichaamsdelen verlenen het werk een uitgesproken expressief karakter. Het complexe lijnenspel van in elkaar verstrengelde figuren, de golvende lineair getekende haren en de majestueuze plooienval zijn verwant met de art-nouveaustijl van onder meer Jan Toorop.

Helke Lauwaert

De schoenmaker - 1887
Treurende moeder - 1890
De verworpenen - 1898
Moeder met kind in de armen (verso: De metser) - December 25 1889
De schoenmaker - 1887 De schoenmaker
1887
gewassen inkttekening op papier
Treurende moeder - 1890 Treurende moeder
1890
Potlood op papier
De verworpenen - 1898 De verworpenen
1898
Potlood op papier
Moeder met kind in de armen (verso: De metser) - December 25 1889 Moeder met kind in de armen (verso: De metser)
December 25 1889